UA-118292059-1

Zamelwoede

Jacques Carelman

Op een online veiling trof ik een schilderij van Jacques Carelman aan. Die naam zei me niets, maar wikipedia leidde al snel naar de maker van de Catalogue des Objets Introuvables, een catalogus van onvindbare producten. De kunstenaar maakte deze gids in 1969 geïnspireerd door drukwerk van Manufrance, een postorderbedrijf vergelijkbaar met Otto en Wehkamp.

De illustraties van Carelman’s onvindbare producten werden warm onthaald, want zijn catalogus is in bijna twintig talen vertaald. De kunstenaar heeft vervolgens een groot aantal van zijn creaties ook daadwerkelijk laten maken. Gevolg is dat Carelman als idool vereerd werd door product designers, terwijl zijn catalogus bestseller-status verwierf vanwege de humor in de illustraties. Maar Carelman’s werk is ook een voorbeeld van conceptual art, want hij knipoogde naar op objets trouvees gebaseerde kunst en de fantasiemachines van Jean Tinguely.

De catalogus heeft niet geleid tot grote aandacht voor Carelman’s andere werk. Dat is onterecht, want ook op doeken is zijn originele kijk op zaken herkenbaar. Carelman is in 1929 in Marseille geboren en opgeleid als tandarts, maar hij was ook een bekwaam jazz-trompetist, beeldhouwer en illustrator. In 1956 vestigt hij zich in Parijs als tandarts, maar het bloed kruipt naar de barricades. Zo maakt hij stripverhalen en affiches. In 1960 sluit hij zich aan bij de Werkgroep voor Potentiële Literatuur (OuLiPo, in Nederland vele jaren later vertegenwoordigd door het Opperland) om in 1964 toe te treden tot de Werkgroep voor Potentiële Schilderkunst (OuPeinPo), allemaal initiatieven die het absurde in kunst en cultuur verkennen.

La poésie du peintre

In 1968 maakte Carelmans affiches die gebruikt werden bij de opstanden van Parijs. Een jaar later bracht hij zijn beroemd geworden catalogus uit. Die ideeënverzameling werd in de hele wereld warm onthaald, zeker omdat hij vervolgens een groot aantal fantasie-artikelen echt liet maken. Een enkel geval is zelfs in serie geproduceerd, zoals de koffiepot voor masochisten met een tuit aan de hendelkant.

Al die tijd heeft de kunstenaar ook schilderijen gemaakt. We zien daarin een aantal thema’s terug. In de jaren vijftig experimenteerde hij met stillevens, portretten en landschappen. Zijn vroege jaren. De stillevens zijn vaak een compositie van instrumenten en andere objecten. De portretten hebben iets abstracts en dat zien we ook terug in de landschappen.

Toen de opwinding over Onvindbare Objecten een beetje geluwd was, ging Carelmans weer schilderen. Hij maakte een serie vogels en produceerde vervolgens enkele schilderijen waarmee hij commentaar gaf op de grote kunst, maar altijd als absurdist met een uitbundige fantasie. We herkennen deze benadering in een versie van Picasso’s beroemdste werk voor blinden: Transposition Tactile de Guernica, in het schilderij Ceçi n’est pas un Magritte en in de Vincent Van Oupeinpogh.

Guernica

Een ander thema in het oeuvre van Carelmans zijn groenten en fruit. Kenmerkend voor illustratoren is dat ze veel stijlen beheersen en dus soms switchen. Met de grote fruitportretten demonstreert Carelmans zijn meesterschap. Hoewel ook zijn portretten en vogels een eigen karakter hebben.

Bij welk thema het te verkopen schilderij Le Vigneron past, is niet helemaal duidelijk. Het doek is op de veiling die in 2013 georganiseerd is na het overlijden van Carelman verkocht als een vroeg werk, dus of de afbeelding ironisch bedoeld is, weten we niet. Een klassieke druiventeler is vaak te zien met een mand op zijn rug, maar Carelman beeldt hem af met een gifspuit. Ik veronderstel dat ook de stijl een commentaar is. Maar ik zie nog niet waarop. Het schilderij werd uiteindelijk op € 85- afgehamerd.

In de online catalogus van de veiling in 2013 is te zien dat ook veel schetsen en uitvoeringen van de Objets Introuvable zijn verkocht. Het is te hopen dat iemand de verzameling weer bij elkaar brengt.

Blijf van mijn Lijfland

Zijn portretten het verzamelen waard? Vaak tonen ze somber kijkende mannen en vrouwen, die (toen ze de schilder eenmaal konden betalen) hun jeugd en aantrekkingskracht verloren hadden. Wil je zo iemand aan de muur, neerkijkend op jouw dagelijkse worsteling in het bestaan?

Op een online veiling trof ik een portret aan van een edelman. Strenge blik, snor, een mond die geen weerspraak duldt. Hij heeft een kanten kraag en spijkers in zijn mouwen. Een krijgsheer in ruste. Volgens de verkoper betreft het Gustav Horn en dateert het schilderij uit de jaren twintig.

Wie is Gustav Horn? Volgens wikipedia is het een Zweedse edelman van Finse afkomst. Hij leefde van 1592 tot 1657 en werd dus een jaar of vijfenzestig. Horn vocht in de Pools-Zweedse oorlog en promoveerde tot veldmaarschalk. Enkele jaren later werd Horn aangesteld als gouveneur-generaal van Lijfland, wat later Letland en Estland werden. In Lijfland woonden de Lijven die een eigen taal spraken.

De achterkant van het portret suggereert dat het schilderij ouder is dan honderd jaar. Er staat een tekst op het doek. Daarbij zijn de woorden Gustav Horn duidelijk herkenbaar, maar de rest is vager. Zoeken we op de afbeelding dan krijgen we meteen een hit. Vrijwel exact hetzelfde schilderij is niet alleen bekend in Zweden, maar ook in Nederland bij de Rijksdienst voor Kunst Documentatie. Het origineel is getoond op de expositie Hollandse Meesters in Zweeds Bezit.

TALIMAHIKALK
GUSTAV-HOLM
ERTIORICA GRIPJHOLMSSAML
AV-D-BECK
KEK AV FIJALMION 1969

Om welke Hollandse meester gaat het? Volgens de RKD is het portret gemaakt door een David Beck (wiens naam we herkennen in de tekst) en hangt het origineel in Gripsholm Castle te Marienfred. Dit kasteel herbergt sinds 1822 de volledige Zweedse portret-galerie. De formaten van beide schilderijen zijn exact hetzelfde. Beck leefde van 1621 tot 1656 en werd dus vijfendertig jaar. Hij kwam uit Delft en begon als leerling en assistent van Anthony van Dyck in Londen. Van 1647 tot zijn dood was hij één van de hofschilders van Christina, koningin van Zweden, al betekende deze aanstelling niet dat hij in Zweden woonachtig moest zijn.

Die vele reizen van Beck zijn een filmscript waardig. Dat komt vooral omdat Christina van Zweden een bijzondere vrouw was. Bij haar geboorte in 1623 meenden de vroedvrouwen dat het een prinsje betrof omdat de baby luid schreeuwde en tamelijk harig bleek. Haar vader was echter dol op zijn dochter. Hij legde vast dat Christina zijn opvolger zou zijn, een gedegen opleiding zou krijgen en uiteindelijk zelfs ‘koning’ genoemd zou worden.

De Koning van Zweden is een vrouw

Koning Gustav Adolf stierf relatief jong op het slagveld. Omdat haar moeder niet goed bij verstand was en door de regering naar kasteel Gripsholm verbannen was (toevallig weer dat kasteel) werd de zorg voor de jonge prinses een zaak voor kanselier Oxenstierna. Hij gaf haar een opleiding die prinswaardig was. Christina leerde zeven talen naast haar moedertaal, waaronder ook Nederlands. Om te voorkomen dat ze zich aan een pleegmoeder zou hechten, was haar verzorging verdeeld over vier speciaal aangestelde hofdames.

Op 21-jarige leeftijd werd ze volwassen en kon ze als koning aan de slag. Ze had een enorme interesse ontwikkeld in wetenschap en de schone kunsten, en gaf opdrachten aan talloze wetenschappers en kunstenaars. In 1645 nodigde ze Hugo de Groot uit om haar bibliotheek te beheren, maar die overleed op weg naar Zweden. Vier jaar later wist ze de Franse filosoof Descartes naar Stockholm te lokken die er een academie mocht beginnen. De koningin stuurde een speciaal schip naar Frankrijk dat terug kwam met de geleerde heer en tweeduizend boeken. Descartes voelde zich echter niet thuis in het tochtige kasteel van Christina en de koningin was het niet eens met zijn mechanisch wereldbeeld. In 1650 overleed de Fransman aan longontsteking.

Christina was tegen oorlog, maar maakte wel gebruik van kansen om de invloedssfeer van Zweden tot het hele Baltische gebied uit te breiden. Door haar invloed werd de dertigjarige oorlog beëindigd met de Vrede van Wesphalia in 1648. Het leverde de koningin een fikse oorlogsbuit op, inclusief alle kunstschatten van Praag. Haar bezit aan unieke boeken en manuscripten was inmiddels zo fenomenaal dat critici meenden dat ze als een maniak tekeer ging. Na de dood van Descartes nodigde ze Isaac Vossius uit om haar bibliotheek te beheren.

Christina had zo haar eigen ideeën over de troonopvolging. Ze wilde bijvoorbeeld niet huwen. “Het vergt meer moed om te trouwen dan een oorlog te beginnen,” vertelde ze aan diplomaten die op bezoek kwamen. Ze deelde wel het bed met een vriendin, la belle comtesse Ebba Sparre. Christina kleedde zich graag als een man en gaf weinig aandacht aan haar verschijning en haar haar. Een dolle mina avant la lettre.

Koningin op de vlucht

David Beck was één van vele wetenschappers en kunstenaars die door de koningin werden ingehuurd voor bijzondere opdrachten. De schilder hoefde niet in Zweden te wonen, maar hij werd wel regelmatig naar andere vorstenhuizen gestuurd om portretten te maken van bevriende adel. Die schilderijen gingen retour naar de koningin, in ruil voor een medaillon met haar portret. Deze opdrachten brachten Beck onder andere naar Gottorf (Schleswig-Holstein), Rome en Madrid.

Christina had een brede interesse in religie en liet zich onderrichten over de islam en joodse overtuigingen. Ergens in 1652 besloot ze te kiezen voor het katholieke geloof, een ongehoorde zaak in het strikt-lutherse Zweden. Ze deed daarom in 1654 afstand van de troon en reisde naar Antwerpen met een entourage van circa 255 mensen. David Beck was lid van dit reisgezelschap. De oud-koningin vierde elke avond feest en haar schatkist raakte leeg. Daarop werd ze uitgenodigd om naar Brussel te komen door de aartshertog Leopold-Wilhelm van Oostenrijk in zijn paleis Coudenberg, waar ze zich stiekem tot de rooms-katholieke leer bekeerde.

Met haar entourage reisde de voormalige koningin vervolgens naar Innsbruck, wederom op uitnodiging van de aartshertog. Toen ze uiteindelijk vertrok was Leopold-Wilhelm van Oostenrijk zo goed als failliet. Het gezelschap reisde door naar Rome, waar ze warm onthaald werd door de paus die een complete vleugel van het Vaticaan ter beschikking stelde. Vanuit Italië vertrok ze naar Parijs, waar ze een deal probeerde te sluiten tussen de Fransen en de Italianen waardoor ze tijdelijk Koningin van Napels zou worden. De schilder Beck maakte dat echter niet meer mee, want die ging terug naar Den Haag waar hij overleed.

En het portret van Gustav Horn?

Dat werd uiteindelijk verkocht voor iets meer dan vierhonderd euro…

Piccadilly Circus

Mooi schilderij van Piccadilly Circus op een online veiling. De maker is een Zeeuwse schilder. Hij is nog actief en maakt prachtig werk: Willem Heytman. Zijn stijl varieert van het foto-realisme via magisch realisme tot impressionisme. Ik vind zijn werk adembenemend. Je mag het ook vakkundige kitsch noemen.

Willem HeytmanOp de veiling vond ik een schilderij waarop Piccadilly Circus met zijn kenmerkende lichtreclames is afgebeeld. Het gaf me de volgende indrukken. Ik zie deze afbeelding als een verwijzing naar schilderijen die eind 19e en begin 20e eeuw werden gemaakt, toen elektrische straatverlichting werd geïnstalleerd en straten werden geasfalteerd. Dat veroorzaakte spiegelingen op een nat wegdek die voordien ongekend waren. In alle metropolen begonnen jonge kunstschilders straatbeelden te maken met opvallende lichteffecten, eerst met koetsen en later met klassieke automobielen en omnibussen.

De vertekening in de weerspiegelingen paste perfect bij het impressionisme. Een mooi impressionistisch werk is een demonstratie van schildersvaardigheid. Die stijl nodigt immers uit tot ruwe streken met trefzekere accenten. De stadsschilderingen die Floris Arntzenius van Den Haag maakte, de Amsterdamse etalages van Isaac Israels: we zien overal de verwondering over het nieuwe kunstlicht. Zij werden geïnspireerd door Eugène Galien-Laloue, een Franse schilder uit de Belle Epoque die prachtige straattaferelen vereeuwigde.

Vakkundige Kitsch

Piccadilly_Circus postcardDeze winterse stadsgezichten waren zeer gevraagd en werden zelfs naar de Verenigde Staten verscheept. Galien-Lalou kreeg al snel vele navolgers door heel Europa. De eerste generatie zag zulke straten met eigen ogen, maar latere generaties schilderden de straatbeelden over van oude ansichtkaarten. Er zijn nog steeds kunstschilders die decoratieve stadsbeelden maken met koetsen, paarden en oldtimers. Vakkundige kitsch. Het genre verkoopt altijd goed.

Heytman heeft zo-te-zien iets vergelijkbaars gedaan met Picadilly Circus. Een ansichtkaart nageschilderd. We vinden zelf de originele foto’s van Piccadilly Circus terug, in het befaamde John Hinde Archive. Andere voorbeelden zijn ook hier (in Haarlem) daar (in de VS) te vinden. De Haarlemse galerie heeft tevens prachtige Amsterdamse stadsgezichten te koop. Verder vind ik New York by Night en talloze schilderijen met klassieke race-scenes, mooi nageaapt van Frederick Gordon Cosby.

Ansicht-schilderen

Heytmans BugattiAnsicht-schilderen is geen nep, geen schande. Het resultaat is prachtig en het effect is bewonderenswaardig. Even waan je je als toeschouwer in de jaren vijftig en zestig, toen lichtreclames nog echt met neon en gloeilampen geconstrueerd werden. Het doet me ook denken aan de outsider art van André Demonchy en Willem van Genk, die een fixatie had op treinen en trolleybussen.

Het schilderij wisselde van eigenaar voor € 400- en wat kosten. Die houden we voortaan in de peiling, want er komen koopjes (zoals deze) voorbij. Ik snap dat mensen bereid zijn tien keer zoveel te betalen, simpelweg omdat deze kunst goed past bij een interieur.

Willem HeytmanWaar vinden we nog meer kunst van Willem Heytman?

Artistic Savant

Savants zijn mensen die ondanks (of juist door) een verstandelijke beperking in één dimensie enorm uitblinken. Ze spelen prachtig piano, beschikken over encyclopedische kennis of kunnen fabelachtig rekenen. Ook de beeldende kunst telt bekende savanten. Zij maken indrukwekkende tekeningen en schilderijen. Hun werk valt in de categorie outsider art, maar kan zeer verzamelbaar zijn.

Op een online veiling wordt een doek aangeboden waarop het operagebouw in Parijs te zien, in een stijl die naief genoemd wordt. De maker heeft er zijn eigen variant van perspectief aan gegeven en het niveau aan details is hoog. Elke raam, elke geveltekst en de versiering van de daken is zo precies weergegeven dat het werk doet denken aan andere schilderijen en tekeningen van savants.

Een bekend voorbeeld is George Widener, een Amerikaan (Cincinnati, Ohio 1962) met Asperger’s syndroom die een gedetailleerde fantasiewereld tekent met talloze verwijzingen naar een numerologie die volgens hem een zekere logica heeft. Hij noemt zichzelf een calendar savant, omdat hij verbanden ziet in datums. Het Kröller-Müller heeft een exemplaar van zijn werk in de collectie: Megalopolis 2022. De stad bestaat uit kanalen en wegen, met talloze parkeergarages en winkelcentra. En kalenderdata.

In Nederland kennen we Willem van Genk (1927-2005) die vanwege leer- en aanpassingsproblemen op een internaat werd geplaatst. Toen hij twintig was, werd Van Genk te werk gesteld bij de AVO-werkplaats (Arbeid voor Onvolwaardigen) in Den Haag. Tien jaar later werd hij echter toegelaten tot de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten waar zijn talent gezien werd.

Trolleybussen

Van Genk maakte fabelachtig gedetailleerde tekeningen van steden, stations en spoorwegen. Hij was gefascineerd door verbindingen, met name de electriciteitslijnen die trolley’s, trams en treinen van stroom voorzien. De tekenaar reisde graag. Hij bezocht Madrid en Praag, en liet zich rondvliegen in een helikopter boven Wenen.

Van Genk legde ook zijn eigen leven vast, in de vorm van denkbeeldige cover stories in Time. En dan zijn er nog de trolleybussen die hij maakte met blikjes en kartonnen verpakkingen. W.F. Hermans noemde zijn werk ‘huiveringwekkend’ mooi. Het duurt echter tot halverwege de jaren zeventig voordat musea en liefhebbers belangstelling tonen om zijn werk ook aan te kopen.

De fascinatie met steden zien we ook bij André Demonchy (1914-2003). Net als Widener en Van Genk heeft deze Fransman een wonderbaarlijk gevoel voor detail. Elk venster, elke gevelbalk, elk reclamebord keert terug op zijn stads- en straatgezichten. We tonen het geveilde stadsgezicht naast vergelijkbare werken.

Art Brut

Van Demonchy is niet veel bekend. Een voormalige buurman uit Crouy omschrijft hem als een oorlogswees die door een lokaal boerengezin in de Yonne (Bourgogne) is opgevoed. Hij werkte dertig jaar als machinist en kantoorassistent bij de Franse spoorwegen, de SNCF. Hij tekent de spoorwegen, de dorpen en de landschappen uit zijn omgeving om wat bij te verdienen voor zijn jonge gezin. Dan schakelt hij over op olieverf met de materialen die hem aangereikt worden door een bevriende amateur-kunstenaar.

Een eerste expositie vind plaats in Parijs bij de Galerie de Berri, in 1947, en André Breton schrijft het voorwoord van de catalogus. Demonchy zou beïnvloed zijn door de politieke sfeer van de jaren dertig. Door de kunst en affiches uit die tijd, een surrealisme waaruit magisch realisme ontspruit. Ik zie een kindse keuze voor kleuren, maar dat noemen we naief, primitief of brut. De auto’s zijn speelgoedauto’s. Het laat wel intense indruk na.

Het geveilde werk bracht € 602- op. Dat is weinig in vergelijking met de waardering voor Van Genk. Het mag ook niet zo zijn dat we prijskaartjes gaan hangen aan het werk van savants om ze onderling te vergelijken. Maar het zijn wel zeldzame en unieke werken, ook omdat ze een uitzonderlijke vaardigheid vergen. Ter afsluiting voeg ik nog drie opmerkelijke werken toe.

 

Jean Pougny

Soms denk ik dat ze het expres doen. Een verzamelaar biedt op een online veiling een abstrakt Russisch werk aan uit de jaren vijftig. Voorop staat een signatuur ИП oftewel IP, achterop staat geschreven PUNI. De particuliere verkoper Ben schrijft: We hebben de letters kunnen vertalen naar een I en P. Maar is lastig. Misschien weet iemand het. Dat is een verkoopbabbel, want Ben (die ook een nep-Kandinsky in de aanbieding heeft) weet waarschijnlijk heel goed wie IP is.

Ivan Puni!

Puni (1892-1956) is geen kleine jongen in de wereld van de abstrakte kunst. Hij was de kleinzoon van de Italiaanse componist Cesare Pugni, geboren in Kuokkale in Finland. Op zijn achttiende had hij al schilderles aan de Académie Julien in Parijs. Een paar jaar later in Petersburg waren Puni en zijn vrouw Xana betrokken bij spraakmakende exposities van een nieuwe avant-garde (Tramway V en 0,10) waar ook Kazimir Malevich en Vladimir Tatlin onderdeel van uitmaakten.

Samen met Malevich schreef Puni in 1916 het Suprematist Manifesto, waarin ze een tijdperk van nieuwe abstrakte kunst aankondigden.

Berlijn

Na de eerste wereldoorlog en de Russische revolutie was Puni even actief in de vroege art-scene in de Sovjet-Unie, maar eind 1919 wandelde hij over de bevroren Baltische baai terug naar Helsinki om zich in Berlijn te vestigen. In 1924 vertrok hij naar Frankrijk om na enkele jaren een vooraanstaande rol te spelen in de daar actieve avant-garde. Ivan Puni veranderde zijn naam in Jean Pougny.

Het werk dat op de veiling wordt aangeboden lijkt op een serie die te zien is in de catalogi van Herman Berninger. Het zijn schetsen (suprématist compositions) die Puni aan het begin van zijn loopbaan maakte, voor collages die hij later in uiteenlopende materialen zou uitvoeren. Het MOMA heeft zo’n schets en bij het Centre Pompidou vonden we een compositie uit 1916 die erg lijkt op het te veilen werk. Gemaakt met inkt en houtskool.

Namaak

Enkele schetsen werden later uitgevoerd, de ene keer met verf en soms als collage van uiteenlopende materialen. Met deze reliefs gaven Puni en Malevich de aanzet tot het constructivisme, maar ook Bauhaus en De Stijl zijn schatplichtig. Zo zien we bij Puni al strippen hout en tape verschijnen, die Mondriaan later ook zou gebruiken om geometrische effecten te veroorzaken.

Is het ook maar enigszins denkbaar dat zo’n werk toevallig op een online veiling in Nederland aangeboden kan worden en dat niemand snapt wat het is? Of ziet elke kenner meteen dat het om een kopie gaat en is het slechts een leuk gebbetje van een fan? Deze vroege abstrakte kunst is bijna op industriële schaal nagemaakt, dus de kans dat het een onontdekte origineel is, is nagenoeg nihil.

Maar het is wel intrigerend.

We zien dat de schetsen die in musea te vinden zijn allemaal op (inmiddels) vergeeld papier getoond worden. Dat waren studies. De eerste composities. Enkelen daarvan zijn uitgewerkt en dan maakte Puni soms ook een geschilderde witte achtergrond, bijna gekalkt. Daar werden materialen en objecten aan toegevoegd, zoals scharen en meetlatten.

Het geveilde werk bracht uiteindelijk € 330- op. Koop bij De Slegte een boek over 0,10 The Last Future Exhibition of Painting en je hebt een mooi verhaal!

Reliefs

Voor de volledigheid tonen we enkele reliefs en paintings die zijn gemaakt op basis van Puni’s schetsen. Deze zijn te vinden in Tate, MoMA, Nasher Sculpture Center, de National Gallery of Art (Washington), Sotheby’s en uiteraard ook op veilingen zoals WorthPoint. Maar een kritisch kijker kan vaststellen dat het doorgaans reproducties of reconstructies zijn, al dan niet afkomstig van weduwe Xana Pougny. Het is ook moeilijk voor te stellen dat het echtpaar al die kunstwerken kon meesmokkelen in zijn vlucht over het ijs in 1919.

In de Russian Art Salon troffen we nog een paar leuke Puni-ansichts aan…

Balkonscenes

De bekende impressionist Camille Pissarro had een voorliefde voor stadsgezichten met een perspectief van bovenaf. Daar kreeg hij een mooi beeld van de alledaagse drukte op straat, eind negentiende eeuw. De koetsen, de wandelaars, de nijverheid, de kleuren in beweging.

Een favoriete plek van Pissarro was de Place du Théâtre-Français die hij in 1898 verschillende keren schilderde vanuit het Hotel du Louvre in Parijs. Je zou het de balkonscenes van Pissarro kunnen noemen. Hij was toen 68, zijn ogen gingen achteruit en hij verkoos het comfort van zijn hotelkamer boven de buitenlucht.

Pissarro had ontdekt dat bird-eye views van de stad aandacht trokken in de galeries en hij vond veel voldoening in deze composities. De kunstschilder schreef aan zijn zoon: “I am returning to Paris again on the tenth, to do a series of the Boulevard des Italiens. Last time I did several small canvases – about 13 x 10 inches – of the Rue Saint-Lazare, effects of rain, snow, etc., with which Durand was very pleased. A series of paintings of the boulevards seems to him a good idea, and it will be interesting to overcome the difficulties. I engaged a large room at the Grand Hôtel de Russie, 1 rue Drouot, from which I can see the whole sweep of boulevards almost as far as the Porte Saint-Denis, anyway as far as the boulevard Bonne Nouvelle.”

Paul Durand-Ruel was de kunsthandelaar die veel impressionisten steunde door hun werk te kopen en tonen in zijn galerie. Durand-Ruel hing geen wanden vol schilderijen (op zijn Petersburgs) maar gaf individuele werken ruimte en licht. Pas in 1886 brak hij door, toen de impressionisten in de Verenigde Staten een koopkrachtige vraag opwekten bij de nouveau riche. Pissarro merkte daar niet veel van, want bij leven verkocht hij amper. Iemand zou eens moeten nagaan welke route al die stadsgezichten gevolgd hebben, want die zijn nu stuk voor stuk miljoenen waard.

Boulevard Montparnasse

Pissarro heeft in 1897 tenminste veertien schilderijen gemaakt vanaf het balkon van Hotel de Russie, volgens de website Impressionist Arts. In het voorjaar, in de winter, overdag en ’s nachts.

De combinatie van zijn handicap en vaardigheid van Pissarro geeft deze schilderwerken een extra kracht. Het zijn doeken vol details, het fin-de-siecle trefzeker in verf gevangen. Te meer omdat ook de kracht van de natuur voelbaar is: het weer en de seizoenen.

Helemaal nieuw was deze werkwijze niet. Pissarro bracht ook regelmatig bezoekjes aan de stad Rouen waar hij vanuit hoger gelegen hotelkamers onder andere de Place de la Republique, de Pont Boieldieu en de Rue de l’Epicerie op het doek vereeuwigde.

De schilderijen van de Rue de l’Epicerie zetten we ook even naast elkaar, want daar gaan we mee door. Let op de straat, de wandelaars en de karrevrachten, de gevels en de zonweringen. Het derde schilderij wordt ook aan Rouen toegeschreven, maar dat zou ook de Rue Saint Lazare of La Place du Havre in Parijs kunnen zijn. Het vierde schilderij is van die laatste plaats afkomstig.

De laatst getoonde uitvoeringen lijken namelijk een bron van inspiratie voor een schilderij dat deze week verkocht wordt op een online veiling. We zoomen er nader op in.

Het te veilen schilderij heeft details die we van verschillende Pissarro’s herkennen, maar qua kleur en finesse is het toch een andere klasse. Een onontdekte Pissarro zal het niet zijn. Desalniettemin toch vaardig gemaakt. Zoom eens in op de witlijntjes die de jurkjes van de dames accentueren en je ziet hoe knap ook dit werk is. Op de achterzijde van het schilderij staat Parijs met een lange IJ en het nummer 38. Vandaar dat de verkoper spreekt van Hollandse School. Maar de gelijkenissen met Pissarro noemt niemand. Ik zie er een Belgische hand in, een klare lijn in de spirit van Hergé.

Puzzelstukjes

Overigens worden de werkelijke overeenkomsten en verschillen pas duidelijk terwijl ik dit schrijf, want dan leg ik de puzzelstukjes naast elkaar. Zo bracht ik onlangs nog Les Trois Musiciens van Picasso bijeen, Houses of Parliament van Monet, Lepelaars van Alexander Wilson en Torens van Babel van Grimmer. Allemaal veilingstukken die duidelijk namaak zijn (of geïnspireerd door) maar door de verkoper en veilingmeester niet herkend zijn. Zulke kopieën hebben hun eigen kwaliteit, want ze zijn vaak knap vervaardigd.

En te koop voor een paar tientjes, wellicht een paar honderd euro. Andere liefhebber zagen het ook wel zitten, want op de laatste dag van de veiling klom de prijs op van 150 naar 510 euro…

Westminster

Is kunstgeschiedenis een verplicht vak voor veilingmeesters? Ik vraag het me af, omdat ik op veilingen vaak kopieën aantref van bekende werken waarbij noch de verkoper noch de veilingmeester een opmerking toevoegt: geïnspireerd op…

Zo zag ik deze week op een bekende online veiling een werk met een afbeelding van het Palace of Westminster aan de Thames in Londen, ook wel Houses of Parliament genoemd. Volgens de verkoper een expressionistisch werk. Kunstliefhebbers herkennen meteen de serie schilderijen gemaakt door Monet, een bekende impressionist.

Monet zat op het terras bij St Thomas Hospital, aan de overkant van de rivier. De Fransman op bezoek in Engeland bracht de rivier, de mist en de avondzon prachtig in beeld met grote kleurvlakken. Monet maakte helemaal aan het begin van de twintigste eeuw (1902-1903) maar liefst negentien versies van deze Houses of Parliament, allemaal op doeken van 81×92 cm. Hij schilderde ook twaalf werken met de naburige Waterloo Bridge. De zonnebloemen van Van Gogh zijn er niks bij.

De geveilde versie is 24×27 cm, een stuk kleiner dus. Op hardboard, al mompelt de verkoper iets over een marouflage: doek op karton. Er mogen allerlei alarmbellen gaan rinkelen, maar er is nog niks geboden. De expert van het veilinghuis vindt het schilderij wel een paar honderd euro waard. De koper betaalde vijftig euro.

Brückenhäuser

De verkoper die dit werk aanbiedt op een online veiling beschrijft het als een Frans tafereel. Huizen die op een brug gebouwd zijn komen op verschillende plekken in Europa voor, dus dat moet vrij snel te checken zijn. Iedereen kent de Ponte Vecchio in Florence. En inderdaad: die luie donders gokken maar wat. Google leidt de belangstellende speurder direct naar de Brückenhäuser van Bad Kreuznach in Duitsland. Op de Alte Nahebrücke!

Nou had ik uiteraard geen tijd aan verspild aan dit tafereel als het niet een wondermooie aquarel was. Kijk ernaar en zie talloze details. Mensen op de brug, een visser met fuiken, een paard en wagen, de oever achter de brug, het schaduwspel op de huizen, de weerspiegeling in het water…

Overduidelijk geschilderd door een meester. En dat brengt ons naar de signatuur. Volgens de verkoper een T. Adem. Sorry, maar ik lees iets anders. TA dp M. We weten al dat het tafereel Duits is, dus dan is het bruggetje naar diplom niet zo’n grote. Zelfs anno 2021 zijn ze nog steeds dol op hun titels, die gewichtige Duitsers. Neem maar aan dat dp M zoiets betekent als diplom malermeister. Geen ordinaire kunstschilder, maar een geschoolde meester. Zou dat de waarde destijds beïnvloed hebben?

Liverpool Street

Er staat een jaartal bij. Ik neem aan dat met ’99 de negentiende eeuw bedoeld wordt en niet de twintigste. Al zou het ook een werk ‘in de geest van’ kunnen zijn, dat recentelijk is gemaakt. De lokale kunstenaar Peter Trautmann veilde een paar jaar geleden veertien schilderijen van deze brughuizen, gemaakt in de stijl van Picasso, Dali, Matisse, Mondriaan en Van Gogh. De opbrengst ging naar een goed doel.

Op de achterkant zit een sticker waaruit blijkt dat dit schilderij eens door de London North-Eastern Railway (LNER) vervoerd is van het station Liverpool Street naar de plaats Bishop’s Stortford. Het drukwerk doet vermoeden dat dit transport in de jaren dertig plaats vond. Een tip voor vervalsers: die stickers kan je nu gewoon op Ebay kopen voor een eurootje of vijf. Maar dat zou wel erg veel werk zijn om met zo’n schilderij een paar honderd euro te verdienen.

Moritz?

Kunnen we achterhalen wie TA is? De eerste gedachte gaat naar een lokale meistermaler. Maar er bestaat een oude ansichtkaart met precies dit tafereel. Dus het is best denkbaar dat een willekeurige kunstschilder in zijn atelier een tafereel van een prent heeft overgeschilderd. Dan was het wel een Duitser, want anders klopt de diplom-theorie niet.

Er is nog een aanwijzing op het schilderij te vinden. Op het centrale huis is een bord met tekst te zien. Vergelijkbare borden zijn op diverse foto’s van deze brug te vinden, maar op het schilderij valt daar de volgende tekst te lezen > los:Moritz. Het lijkt wel een puzzel, want die schrijfwijze heeft niets Duits. Kan het zijn dat de schilder naar zichzelf verwijst in potjeslatijn: Ich bin Moritz? Er is geen schilder van die naam bekend die vergelijkbaar werk gemaakt heeft.

We zoeken gewoon door, maar ik zet dit verhaaltje alvast online. De veiling loopt nog en het hoogste bod is 3 euro. De verkoper heeft een minimumprijs ingesteld, waarschijnlijk ergens rond de 250 euro. Het werk is dat vast waard, maar ik bied niet mee. Misschien dat ik iemand in Kreuznach op het aanbod ga wijzen. Komen de Brückenhäuser weer thuis.

[Naschrift] Op een tweede veiling werd 95 euro geboden. Het is niet duidelijk of het schilderij voor die prijs verkocht is.

De Hoedenwinkel

De winkels aan de Nieuwendijk in Amsterdam vormden rond 1893 een tafereel dat de jonge schilder Isaac Israëls (1865-1935) fascineerde. Het mooie kunstlicht, de geëtaleerde artikelen en talloze jongedames die flanerend over de winkelstraat het aanbod aanschouwden en zich al bezitter waanden van een nieuwe hoed of mantel. Israëls had een atelier op de eerste verdieping aan de overzijde, boven een garen- en bandwinkeltje. Hij maakte er vele tekeningen en schilderijen, onder andere van modemagazijn Bahlmann en de hoedenzaak van Mars.

De verlichte etalages van de duistere Nieuwendijk komen terug op verschillende schilderijen van Israëls. Twee in het bezit van het Groninger Museum en eentje bij het Rijksmuseum. Het is impressionistisch werk, maar met een sombere donkerheid die in contrast staat tot het doorgaans zonniger werk van de Franse impressionisten. Die wilden het licht vangen, terwijl de Nederlandse impressionisten meer interesse hadden voor de beweging. Je ziet bij Israëls vaak mensen het beeld in- en uitlopen, zoals op foto’s. Alsof ze toevallig voorbijkomen, niet poseren.

Online Veiling

Deze straattaferelen van Israëls zag ik voor me toen ik op een online veiling een vergelijkbaar schilderij aantrof. Twee jongedames wandelend op een winkelstraat, voor een achtergrond van een verlichte etalage met publiek dat aangetrokken wordt door het kunstlicht, als motten door een buitenlamp. En inderdaad: naast elkaar zie je meteen dat de ene afbeelding een kopie is van de ander. Het origineel is ruim 60 bij 60 centimeter; de kopie meet ongeveer 30 bij 23 centimeter.

Kan het zijn dat Israëls een voorstudie gemaakt heeft? Een kleiner schilderij gemaakt heeft voor een bekende? Dat deden schilders in die tijd wel vaker, immers. Of is het een ode van een collega aan de grote schilder? Een kopie? Of simpelweg een vervalsing? Het is bekend dat vervalsers zich specialiseerden in Israëls. Ze lieten het aan de handelaars over om een valse handtekening toe te voegen. Want die is ook zichtbaar op dit schilderij. Op de keerzijde is de Is van Isaac Israëls te zien, een Is die bijna op een K lijkt.

Hgels?

Die kenmerkende signatuur zegt niet zoveel. Sterker nog: ik heb hem al eerder herkend op ander werken in zijn stijl. Toen meende ik Hgels te lezen. Een Is die op een H lijkt. Niets is wat het lijkt in de duistere wereld van Israëls.

Een andere aanwijzing dat het schilderij vals is, is het ontbreken van de lampen in de etalage. Daar draaide het immers om bij Israëls. Dat nieuwe licht in het donker. Als hij een kleinere versie van de hoedewinkel had gemaakt, waren de lampen daar vast onderdeel van geweest.

Opvallend is dat noch de verkoper noch de veilingmeester de gelijkenis noemt. Dat valt me elke keer op. Er worden veel schilderijen aangeboden die met minimaal speurwerk online kopieën blijken te zijn van relatief bekende werken. Waarom wijst niemand daarop? Zouden ze het niet gezien hebben? Is het onwetendheid of bedrog?

Een dag voor de afloop van de veiling was het laatste bod opgelopen tot ongeveer veertig euro. Dat stijgt op de dag zelf naar een niveau iets onder de honderd, waarop een biedingsstrijd ontstaat tussen twee liefhebbers. Het hoogste bod is uiteindelijk €169-. Dan heb je toch een aardige Israëls-look-alike aan de muur.

Naschrift

Een week later wordt er een andere etalage in de stijl van Israëls geveild voor 300 euro. Deze keer werd de vergelijking wel gemaakt. Het betreft de etalage van kinderkledingwinkel Bahlmann & Co  aan de Nieuwendijk. Het origineel hangt in het Rijksmuseum.

Les Trois Musiciens

Deze week op een online veiling: een paneel van 46 x 42 cm met een kubistisch tafereel. De kleuren zijn fris en als toeschouwer zie je ook patronen en materialen waardoor het op een collage lijkt. De afbeelding toont bij nadere inspectie drie muzikanten en er zit een hond onder de tafel. Het werk wordt aangeboden door een Spaanse kunsthandel die veel van zijn kunst bij vlooienmarkten en boedelruimingen vindt.

Toch maar eens op Google kijken of dit werk op iets lijkt of door iemand geïnspireerd is. Al snel is het bingo! Picasso heeft in 1921 een groot schilderij gemaakt: Les Trois Musiciens aux Masques. Hij beeldde zichzelf en twee vrienden af als muziekmakende clowns. Het werk op de veiling is een tamelijk exacte kopie van dat schilderij, alleen op veel kleiner formaat.

Met deze Drie Muzikanten sloot Picasso in 1921 zijn tijd in het synthetisch kubisme af. Ik heb geen idee wat dat betekent. Picasso had die uitdrukking zelf ook niet bedacht. Het zijn de kunstcritici en analisten die zulke labels op zich ontwikkelende stromingen plakken.

Collage?

Dat moesten we natuurlijk even uitzoeken. De kunstschilders George Braque en Pablo Picasso begonnen ergens in 1907 – geïnspireerd door Afrikaans houtsnijwerk – met taferelen waarin vaste grondvormen centraal stonden: cilinders, kegels, bolvormen en kubussen. Uit dit geometrisch kubisme ontsproot het analytisch kubisme, waarbij objecten op de voorgrond versmelten met de achtergrond. Abstrahering: abstrakte kunst! En daarna kwamen met het synthetisch kubisme kleur en object weer terug.

Een ander herkenbaar element uit het kubisme zijn geknipte elementen die worden toegevoegd in het schilderwerk. Zo ontstaan collages van soms uiteenlopende materialen. We zien de suggestie van een collage wel terug in deze Drie Muzikanten, maar de kleine kopie is duidelijk geen collage. Het doet een beetje denken aan de stijl van Ker-Xavier Roussel en Edouard Vuillard (Les Nabis) die stof-expressie in olieverf nastreefden. Kunstenaars van deze stroming waren vaak betrokken bij decor- en kostuumontwerp.

Pulcinella

Dat treft. Picasso was in 1921 bezig met een project van de componist Igor Strawinsky die een ballet wilde opvoeren geïnspireerd door het klassieke volkstheater van de Commedia dell’Arte. In dat theater komt een herkenbare figuur steeds weer terug. Pulcinella met een punthoed, een wit pak en een zwart masker. Voor deze Pulcinella ontwierp Picasso de kostuums en decors.

Picasso vond de Commedia dell’Arte met zijn terugkerende karakters fascinerend. Het schilderij met een Pierrot (verwant aan Pulcinella), een Harlequin en een Monnik zou een eerbetoon zijn aan de vrienden Guillaume Apollinaire en Max Jacob, twee dichters waarmee Picasso in Parijs vaak muziek maakte tot Apollinaire in 1918 aan Spaanse griep overleed en Jacob zich in 1921 terug trok in een klooster.

Jacob is de Monnik, Apollinaire is de Pierrot en Picasso zelf de Harlequin.

Picasso maakte verschillende versies van dit tafereel. Het schilderij Les Trois Musiciens hangt nu in het Museum of Modern Art in New York; het schilderij Nous Autres Musiciens is onder dezelfde naam te vinden in het Philadelphia Museum of Art. Beide originelen zijn ruim twee bij twee meter groot.

Picasso had al eerder Harlequins geschilderd. In het MoMa hangt een kubistisch tafereel uit 1915 waarbij vooral de wiebertjes op het pak in het oog springen. Ook dit schilderij is geen klein werk. Het meet ruim één meter bij bijna twee. En in 1901 zette Picasso diverse figuratieve Harlequins op het doek. Hij is duidelijk gefascineerd door stofexpressie, want behang en kleding krijgen extra aandacht. Bovendien heeft Picasso’s hoofdpersoon trekken van zowel Harlequin als Pierrot.

Barcelona

hechtbandWaar komt nu die kleine kopie van de Drie Muzikanten zo plotseling vandaan? Volgens de verkopers uit een particuliere collectie in Barcelona. De relatie met Picasso wordt nergens genoemd en ook de veilingmeester lijkt dit verband niet gezien te hebben. Maar de naam Les Trois Musiciens wordt wel genoemd. Eigenaardig. Zij menen dat het een werk uit de jaren zestig is. Op de achterzijde van het schilderij is te zien dat het paneel aan de lijst is gehecht (verzegeld) met lijmpapier dat in de jaren dertig verkocht werd. Deze rollen zijn nog steeds te vinden bij verzamelaars. Dus de herkomst is een mysterie. Misschien is het een modello (een proefversie)…

Resteert slechts één vraag. Is het mooi? Is het hebbenswaardig? En voor welke prijs?

[Naschrift] Het schilderij werd niet verkocht omdat het uiteindelijk geboden bedrag van €110- onvoldoende was om de limiet te bereiken.